Uitspraak
20 4171 WW
16 oktober 2020, 18/7423 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2012 werkzaam bij een bedrijf met een concurrentiebeding dat hem verbood binnen een jaar na ontslag bij een concurrerend bedrijf te werken. In 2017 nam appellant ontslag en begon in 2018 bij een concurrerend bedrijf, waarna het dienstverband op grond van het concurrentiebeding werd beëindigd. Het UWV kende een WW-uitkering toe op voorschotbasis, maar besloot later de uitkering niet uit te betalen wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat appellant geen reëel vooruitzicht had op een dienstverband van minimaal 26 weken bij het nieuwe bedrijf vanwege het concurrentiebeding en dat de werkloosheid verwijtbaar was. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel een reëel vooruitzicht was en dat hij erop mocht vertrouwen dat het concurrentiebeding niet zou worden ingeroepen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het concurrentiebeding was geldig en van toepassing, waardoor appellant geen reëel vooruitzicht had op voortzetting van het dienstverband bij het concurrerende bedrijf. Ook is geen sprake van omstandigheden die de verwijtbaarheid van de werkloosheid wegnemen. Het UWV was daarom terecht gehouden de uitkering niet uit te betalen.
De Raad benadrukt dat bij de beoordeling van verwijtbare werkloosheid niet alleen naar de nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gekeken, maar ook naar de omstandigheden waaronder de vorige dienstbetrekking is geëindigd, waaronder het concurrentiebeding. De beslissing wordt bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door overtreding van het concurrentiebeding.