ECLI:NL:CRVB:2022:1552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toeslag over huwelijkse periode terecht verlaagd en teruggevorderd wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellante ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) als ongehuwde, terwijl zij in de periode van 2015 tot en met 2018 gehuwd was. Na melding van wijziging in haar leefsituatie heeft het Uwv de toeslag verlaagd en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven.
In hoger beroep stelde appellante dat sprake was van een ongewilde verbreking van de echtelijke samenleving door haar handicap, waardoor samenwonen feitelijk onmogelijk was. Ook verzocht zij om matiging van de terugvordering wegens haar financiële situatie. De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven pas aanvangt na een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, wat hier niet is vastgesteld. De handicap van appellante leidt niet tot een ongewilde verbreking zoals bedoeld in de rechtspraak.
De Raad bevestigde dat appellante in de betreffende periode als gehuwd moet worden aangemerkt en dat het Uwv de toeslag terecht heeft teruggevorderd. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is geen sprake, mede omdat het Uwv de invordering heeft opgeschort vanwege haar financiële situatie. Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toeslag is terecht verlaagd en teruggevorderd.