ECLI:NL:CRVB:2022:1610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellante is eind januari 2020 vanuit Suriname naar Nederland gekomen en heeft op 30 juli 2020 kinderbijslag aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af voor het tweede en derde kwartaal van 2020 omdat appellante op de peildata niet verzekerd was onder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), aangezien zij niet woonde of werkte in Nederland en geen duurzame persoonlijke band met Nederland had.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Zij stelde vast dat appellante nog maar kort in Nederland verbleef, geen zelfstandige woonruimte had en niet maatschappelijk actief was. Haar intentie om in Nederland te blijven en haar gezinsleven hier waren onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Raad volgde de eerdere beoordeling. Op grond van vaste rechtspraak is ingezetenschap afhankelijk van een duurzame persoonlijke band met Nederland, waarbij factoren als duur van verblijf en het beschikken over een duurzaam tot beschikking staande woonruimte van belang zijn.
De Raad concludeerde dat appellante op 1 april en 1 juli 2020 niet als ingezetene kon worden aangemerkt en dus geen recht had op kinderbijslag over die kwartalen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht had op kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal 2020 wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland.