ECLI:NL:CRVB:2022:1643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking terugwerkende kracht kinderbijslag op één jaar volgens AKW
Appellante, moeder van vier kinderen, had kinderbijslag aangevraagd voor twee van haar kinderen die niet bij haar wonen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe met terugwerkende kracht vanaf maximaal één jaar voor de aanvraag, conform artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Appellante maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en stelde dat er bijzondere omstandigheden waren die een ruimere terugwerkende kracht rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de wet van dwingend recht is en geen ruimte laat voor uitzonderingen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat sinds 1 januari 2016 geen uitzonderingen meer mogelijk zijn en dat de beperking is ingevoerd vanwege uitvoeringskosten en het geringe aantal gevallen met terugwerkende kracht.
Appellante voerde aan dat de Svb niet had aangetoond dat het om circa 150 gevallen per jaar gaat en dat haar aanvraag als verzoek om herziening moest worden gezien. De Raad verwierp deze argumenten en stelde dat de wet niet getoetst kan worden aan algemene rechtsbeginselen en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking rechtvaardigen. De aanvraag en het bezwaar werden terecht niet als verzoek om herziening aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beperking van terugwerkende kracht tot één jaar wordt bevestigd.