ECLI:NL:CRVB:2022:1683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na ontvangst erfenis zonder bijzondere omstandigheden
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand volgens de Participatiewet. Na het overlijden van de vader van appellant ontving hij een erfenis van €82.975,-, waarna het college de bijstand beëindigde en de eerder betaalde bijstand terugvorderde over de periode dat het vermogen boven de vermogensgrens lag.
Appellant voerde aan dat het college hem tijdens het intakegesprek niet had geïnformeerd over de gevolgen van de erfenis voor de bijstand en dat het college zijn zorg- en voorlichtingsplicht had verzaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, van de Participatiewet en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van het terugvorderingsbeleid rechtvaardigen. Ook is geen wettelijke voorlichtingsplicht vastgesteld. Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond om hiervan af te wijken.