Appellant ontving vanaf 1997 bijstand en kreeg in 2011 een erfdeel na het overlijden van zijn moeder. Het college van Rotterdam vorderde kosten van bijstand terug vanaf 2011, nadat appellant in 2015 over zijn erfdeel kon beschikken. Het college schortte de bijstand op en stelde een terugvordering vast. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het college onzorgvuldig had gehandeld en dat het vertrouwensbeginsel hem beschermde tegen terugvordering. De Raad oordeelde dat de aanspraak op het erfdeel ontstond bij overlijden en dat het college vanaf het moment van beschikking over het erfdeel tot terugvordering bevoegd was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan.
Ook andere gronden, zoals het gelijkheidsbeginsel en de zesmaanden-jurisprudentie, werden verworpen. Wel oordeelde de Raad dat het college ten onrechte de kosten van bezwaar niet had vergoed en veroordeelde het college tot vergoeding van bezwaarkosten en proceskosten. Vergoeding van immateriële schade en wettelijke rente werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.