Appellant, sinds 1994 werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, viel in november 2016 wegens ziekte uit. Na 104 weken ziekteverlof heeft de minister zijn bezoldiging onterecht met ingang van 22 oktober 2018 stopgezet omdat appellant weigerde een WIA-uitkering aan te vragen. Tevens verleende de minister hem op 8 november 2018 ontslag wegens deze weigering.
De Raad oordeelt dat de minister pas na het verstrijken van de termijn van 104 weken bevoegd was de bezoldiging stop te zetten, welke termijn eindigde op 21 november 2018. Ook had de minister, gezien het advies van de bedrijfsarts dat appellant arbeidsgeschikt was per 5 november 2018, eerder toestemming moeten verlenen voor werkhervatting. De salarisbetaling werd echter pas op 14 januari 2019 hervat.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten en herroept het ontslag en de stopzetting van de bezoldiging. Vanaf 5 november 2018 moet de volledige bezoldiging worden betaald. Het verzoek om schadevergoeding wegens immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.