ECLI:NL:CRVB:2022:1705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap Nederland in 2020
Appellante vroeg kinderbijslag aan voor haar kinderen over het eerste en tweede kwartaal van 2020. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante op 1 januari en 1 april 2020 nog geen ingezetene van Nederland was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellante geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had op die data.
In hoger beroep stelde appellante dat zij sinds december 2019 in Nederland verbleef en zich actief had ingezet voor inschrijving en schoolplaats voor haar kinderen. De Svb betoogde dat appellante toen nog kort in Nederland was, geen eigen woonruimte had, niet werkte, de taal niet beheerste en geen familie had.
De Raad oordeelde dat ingezetenschap vereist dat er een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat. Dit was niet het geval omdat appellante geen duurzame woonruimte had en haar eerdere verblijf van ruim zeven maanden niet leidde tot een blijvende band. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellante had op 1 januari en 1 april 2020 geen ingezetenschap in Nederland en heeft daarom geen recht op kinderbijslag over die periode.