Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en appellant werkte 20 uur per maand in een slagerij. Het college trok de bijstand in vanaf 2 september 2019 wegens vermoedens van meer gewerkte uren dan opgegeven. Een onderzoek door sociaal rechercheurs leidde tot een gesprek met appellant, die verklaarde ook buiten werktijd in de winkel te zijn en daar soms onbetaald hielp.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd voor werkzaamheden buiten werktijd in de periode van 2 tot 4 september 2019 (periode 1). Voor deze periode is de intrekking daarom onrechtmatig. Voor de periode van 5 september tot 18 november 2019 (periode 2) is het aannemelijk dat appellant op geld waardeerbare arbeid verrichtte en heeft hij de inlichtingenplicht geschonden.
De Raad stelt het recht op bijstand over periode 2 schattenderwijs vast op basis van gegevens uit Suwinet waaruit blijkt dat appellant gemiddeld 36 uur per maand werkte. Het college wordt opgedragen opnieuw te beslissen op bezwaar en het recht op bijstand vast te stellen. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten.