ECLI:NL:CRVB:2022:1839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld op grond van voldoende medische grondslag
Appellant was magazijnmedewerker en ontving na ziekte een uitkering op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 14 juli 2019 en 7 september 2019 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard na medische herbeoordeling door verzekeringsartsen bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen beide besluiten ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende objectief was geweest en dat de heroverweging in bezwaar onzorgvuldig was, mede omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen eigen medisch onderzoek had verricht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het nalaten van eigen onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zonder meer leidt tot onzorgvuldigheid, zeker niet als appellant geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd. De Raad bevestigt dat de medische beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd was en dat er geen sprake is van ongelijkheid in procespositie. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraken worden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd en wijst het hoger beroep af.