ECLI:NL:CRVB:2022:1843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onrechtmatige kapperswerkzaamheden aan huis
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven als eenmanszaak met een kapsalon. Na een melding van haar ex-partner dat zij zwart werkte als thuiskapster, voerde de gemeente Tilburg een onderzoek uit, inclusief een onaangekondigd huisbezoek. Hieruit bleek dat appellante op geld waardeerbare kapperswerkzaamheden aan huis verrichtte.
Het college trok daarom de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat het huisbezoek onrechtmatig was en dat het recht op bijstand wel vastgesteld kon worden. De Raad verwierp deze gronden.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was, dat er voldoende feitelijke grondslag was voor het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden, en dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden. Ook stelde de Raad vast dat het recht op bijstand niet (schattenderwijs) kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van administratie. Dringende redenen om van terugvordering af te zien werden niet aannemelijk gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens onrechtmatige werkzaamheden en schending van de inlichtingenverplichting.