Uitspraak
20 4274 PW
3 november 2020, 20/759 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant had namens zijn bewindvoerder op 10 januari 2019 bijzondere bijstand aangevraagd bij het college van Heerlen, welke werd afgewezen. Op 10 oktober 2019 werd opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor dezelfde kosten. Het college wees deze aanvraag af wegens gebrek aan nieuwe feiten en verwees de aanvraag door naar het college van de gemeente waar appellant woonde, namelijk Kerkrade, omdat appellant op 16 augustus 2019 was verhuisd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat het college van Heerlen niet bevoegd was te beslissen over de aanvraag na de verhuizing. Appellant stelde in hoger beroep dat hij op het moment van de aanvraag nog niet was verhuisd, maar pas begin december 2019. De Raad zag echter geen aanleiding om het verzoek tot heropening van het onderzoek toe te staan, omdat appellant al eerder had erkend te zijn verhuisd en de BRP dit bevestigde.
Verder voerde appellant aan dat de aanvraag van 10 oktober 2019 als een verzoek om herziening van het eerdere besluit gezien had moeten worden, maar de Raad oordeelde dat het een herhaalde aanvraag betrof en dat de aanvraagdatum bepalend is voor de bevoegdheid van het college. De Raad bevestigde dat nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening van appellant komt.
De Raad concludeerde dat het college van Heerlen terecht onbevoegd was om te beslissen op de aanvraag van 10 oktober 2019 en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college van Heerlen niet bevoegd was om te beslissen op de herhaalde aanvraag bijzondere bijstand van appellant.