ECLI:NL:CRVB:2022:2092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met pijnklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de beperkingen van de bedrijfsarts, die gericht zijn op re-integratie, niet gelijkgesteld kunnen worden aan de beoordeling van arbeidsongeschiktheid volgens de Wet WIA. In hoger beroep voerde appellante aan dat het verschil in belastbaarheid tussen de bedrijfsarts en verzekeringsarts onverklaarbaar is, maar leverde geen nieuwe medische informatie.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts de mate van arbeidsongeschiktheid overtuigend heeft vastgesteld en dat de FML van de bedrijfsarts niet de waarde heeft die appellante eraan toekent. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.