Appellant, woonachtig in Nederland en werkzaam in België, diende op 16 mei 2018 een aanvraag in voor een WW-uitkering bij het UWV. Het UWV stelde de aanvraag op 26 november 2018 buiten behandeling wegens het niet verstrekken van noodzakelijke informatie, maar deed dit na het verstrijken van de beslistermijn, waardoor deze buitenbehandelingstelling onrechtmatig was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze buitenbehandelingstelling niet-ontvankelijk, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en vernietigt het besluit op bezwaar van 2 oktober 2019 voor zover het de buitenbehandelingstelling betreft. Vervolgens beoordeelt de Raad de aanvraag inhoudelijk en concludeert dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een WW-uitkering, omdat hij niet de gevraagde documenten heeft overgelegd.
Daarnaast verwerpt de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de procedure binnen vier jaar is afgerond. Tot slot veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.