Betrokkene, woonachtig in Nederland en werkzaam in Duitsland, ontving een AOW-pensioen met korting wegens niet-verzekerde jaren. De rechtbank had geoordeeld dat betrokkene onterecht als niet-verzekerd werd beschouwd na 1974. In hoger beroep stelde de Sociale Verzekeringsbank (SVB) dat betrokkene in de periode 1 april 1999 tot 22 augustus 2001 niet verzekerd was, mede op basis van Europese regelgeving.
De Raad oordeelt dat betrokkene in die periode niet verzekerd was voor de AOW omdat zij in Duitsland werkte en daar niet verzekerd was, en ook volgens de AOW-regels niet verzekerd kon zijn. De SVB heeft betrokkene niet als vrijwillig verzekerd kunnen aanmerken vanwege het ontbreken van premiebetaling. Het hoger beroep slaagt daarom deels en vernietigt het eerdere vonnis voor deze periode.
Verder is een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld. De Raad stelt vast dat de procedure langer dan vier jaar duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. De Staat wordt veroordeeld tot een vergoeding van €500 voor immateriële schade, terwijl een hoger bedrag niet wordt toegekend wegens onvoldoende onderbouwing.
Tot slot worden de proceskosten van betrokkene toegewezen aan een bedrag van €1.573,80. De Raad bevestigt dat betrokkene voor de periode 24 juni 2014 tot 30 april 2018 als vrijwillig verzekerd wordt aangemerkt, zodat deze periode niet meer ter discussie staat.