ECLI:NL:CRVB:2022:2371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verjaring terugvordering teveel betaalde WIA-uitkering
Appellante ontving vanaf 5 mei 2012 een loongerelateerde WIA-uitkering. Het UWV stelde in 2019 vast dat appellante geen loonstroken had aangeleverd en herzag de uitkering over de periode 25 mei 2012 tot en met 30 juni 2019. Het teveel betaalde bedrag van €6.321,65 werd teruggevorderd. Appellante stelde dat de vordering was verjaard omdat het UWV al in 2011 op de hoogte was van haar werkzaamheden als trouwambtenaar.
De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas begon te lopen vanaf de interne melding van 21 februari 2017, toen het UWV daadwerkelijk bekend werd met de relevante feiten. Het enkele feit dat het UWV eerder had kunnen weten dat appellante werkte, betekent niet dat het daadwerkelijk bekend was met haar inkomsten na 25 mei 2012.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en voerde zij aan dat zij mocht vertrouwen op een mededeling van een UWV-medewerker dat zij haar inkomsten niet hoefde door te geven. De Raad verwierp dit beroep op het vertrouwensbeginsel wegens gebrek aan bewijs en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering van de teveel betaalde WIA-uitkering niet is verjaard en verklaart het hoger beroep ongegrond.