ECLI:NL:CRVB:2022:2426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewet-uitkering bij arbeidsovereenkomst met loondoorbetalingsverplichting
Appellant werkte sinds 15 juli 2019 als vrachtwagenchauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht. Op 9 september 2019 meldde hij zich ziek vanwege een bedrijfsongeval. Het UWV weigerde een Ziektewet-uitkering toe te kennen omdat appellant tot het einde van zijn contract op 14 februari 2020 recht had op loondoorbetaling door zijn werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de arbeidsovereenkomst doorliep en er geen rechtsgeldige tussentijdse beëindiging was. Artikel 7:629 BW Pro verplicht de werkgever tot loondoorbetaling bij ziekte gedurende de contractduur, waardoor appellant geen aanspraak op ziekengeld had. Appellant voerde aan geen recht op loon te hebben, maar dit werd verworpen omdat hij niet was ingeroosterd en de loonaanspraak nihil was volgens artikel 7:610b BW.
De Raad overwoog dat artikel 29, tweede lid, ZW een limitatieve opsomming bevat van situaties waarin ziekengeld wordt uitgekeerd. Omdat de dienstbetrekking niet was beëindigd en geen andere situaties van het tweede lid van toepassing waren, was er geen recht op ZW-uitkering. De Raad bevestigde dat het niet aan de rechter is om een oplossing te bieden voor situaties waarin noch loon noch ziekengeld wordt toegekend.
Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op Ziektewet-uitkering omdat hij recht heeft op loondoorbetaling tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst.