Appellante ontving bijstand vanaf 2009 en werd onderzocht vanwege vermoedens van niet gemelde inkomsten uit werkzaamheden in een pizzeria van haar broer in Duitsland. Uit onderzoek en verklaringen bleek dat zij daar werkte en mede-eigenaar was, zonder dit te melden aan het college. Hierdoor werd de bijstand vanaf juni 2017 ingetrokken en teruggevorderd over de periode tot mei 2019.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. De door appellante overgelegde belastingaangiften werden onvoldoende geacht om haar verdiensten aannemelijk te maken.
De Raad vernietigde het bestreden besluit over de hoogte van de boete en beoordeelde het nader besluit waarbij de boete werd verlaagd tot €660,- als evenredig en rechtmatig. Een verzoek om een nadere zitting wegens ziekte van appellante werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.