Appellante is met onmiddellijke ingang strafontslag verleend door de korpschef op 18 juli 2019. De voorzieningenrechter heeft op 23 september 2019 een voorlopige voorziening getroffen waardoor het ontslag werd geschorst en het salaris werd hervat met terugwerkende kracht. Na afwijzing van bezwaar en beroep tegen het ontslag is het strafontslag in rechte komen vast te staan.
De korpschef heeft vervolgens het onverschuldigd betaalde salaris over de periode van 18 juli 2019 tot en met 26 februari 2020 teruggevorderd. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en overwogen dat de terugvordering volgt uit het vervallen van de voorlopige voorziening en niet uit het ontslag zelf. Appellante heeft de hoogte van de terugvordering niet betwist, maar stelde dat het terugvorderen onevenredig en onrechtvaardig is.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst erop dat de terugvordering losstaat van het plichtsverzuim dat aan het ontslag ten grondslag ligt. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de schuldenlast van appellante slaagt niet, mede omdat zij op de hoogte was van de mogelijke financiële gevolgen van de voorlopige voorziening. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.