Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2548

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
20/3061 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking

Appellante had een WW-uitkering aangevraagd na het vermeende einde van een arbeidsovereenkomst met een bakkerij. Het UWV kende de uitkering toe, maar startte later een onderzoek vanwege vermoedens van een gefingeerd dienstverband. Dit leidde tot herziening en terugvordering van zowel de WW- als de ZW-uitkering.

De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, mede vanwege inconsistenties in verklaringen, late registratie van loon en het ontbreken van bewijsstukken van appellante. Appellante voerde aan dat zij wel arbeid had verricht en verwees naar een arbeidsovereenkomst en loonstroken, maar kon haar stellingen niet met objectief bewijs onderbouwen.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. Het onderzoek van het UWV was zorgvuldig en toereikend, en de door appellante overgelegde stukken onvoldoende om het bestaan van een dienstbetrekking aannemelijk te maken. Ook het verweer over haar beperkte communicatieve vaardigheden en het verhoor werd verworpen. De Raad concludeerde dat appellante niet verzekerd was voor de sociale verzekeringswetten en dat de herziening en terugvordering terecht waren.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de uitkeringen bevestigd.

Uitspraak

20 3061 WW

Datum uitspraak: 23 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2020, 19/4011 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Mr. Ü. Arslan heeft zich als gemachtigde gesteld en gronden ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Arslan. Tevens was A. Kabaktepe aanwezig als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft op 10 januari 2018 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd, omdat aan de arbeidsovereenkomst die zij zou hebben gehad met [Naam B.V.] Bakkerij B.V. ( [Naam B.V.] ) voor 20 uur in de week op 1 december 2017 een einde is gekomen. Het Uwv heeft bij besluit van 23 januari 2018 per 1 januari 2018 een WW-uitkering toegekend tot en met 31 maart 2018. Appellante heeft zich op 1 maart 2018 ziek gemeld bij het Uwv. Het Uwv heeft haar met ingang van 2 april 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Deze ZW-uitkering is op 11 juni 2018 beëindigd omdat het Uwv haar weer geschikt heeft geacht voor haar eigen werk.
1.2.
Na een interne melding heeft een themaonderzoeker, werkzaam bij Directie Handhaving van het Uwv, een onderzoek ingesteld naar het dienstverband van appellante en naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende WW-uitkering en ZW-uitkering vanwege het vermoeden van een gefingeerd dienstverband. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 2 oktober 2018.
1.3.
Bij besluit van 8 november 2018 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante herzien per 1 januari 2018 en de aan appellante uitbetaalde WW-uitkering over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 tot een bedrag van € 1.859,47 bruto teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 8 november 2018 (besluit 2) heeft het Uwv de ZWuitkering herzien per 1 april 2018 en de aan appellante uitbetaalde ZW-uitkering over de periode van 1 april 2018 tot en met 10 juni 2018 tot een bedrag van € 1.346,40 bruto teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 14 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv ter onderbouwing van zijn standpunt dat tussen [Naam B.V.] en appellante sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband de volgende bevindingen heeft gepresenteerd:
- appellante weet niet meer precies wanneer zij is gaan werken, dat zou zijn in de winter. Zij heeft zes maanden gewerkt, zij weet niet tot wanneer;
- appellante kan geen namen van collega’s noemen;
- appellante geeft een andere beschrijving van de werkplek;
- er is een dienstverband met loon geregistreerd van 1 juni 2017 tot en met 31 december 2017;
- de inkomstenverhouding en de inkomstenopgaven van het dienstverband zijn pas na einde dienstverband in Polis+ geregistreerd;
- de loonaangiften zijn allemaal na einde dienstverband in januari 2018 gedaan;
- op de loonspecificaties van juni, juli en augustus 2017 staat vermeld dat loon per kas is uitbetaald, terwijl in december 2017 en januari 2018 bedragen naar appellante zijn overgemaakt met als omschrijving loon over de maanden juli tot en met september 2017;
- uit de arbeidsovereenkomst en ontslagbrief blijkt de overeenkomst per 1 december 2017 te zijn beëindigd terwijl in Suwinet loon over december 2017 is verantwoord;
- de werkgever blijkt niet mee te werken met het onderzoek, beloften worden niet nagekomen. Tijdens de werkplekcontrole in januari 2018 is een werkend persoon aangetroffen die niet in Suwinet was geregistreerd.
2.3.
Gelet op deze feiten en onderzoeksbevindingen – die zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 2 oktober 2018 – heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten bij [Naam B.V.] vervulde. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat als appellante van mening is dat uit verklaringen van personeel zou blijken dat zij wél heeft gewerkt, het op haar weg had gelegen om zelf die verklaringen over te leggen. Appellante heeft dit om haar moverende redenen niet gedaan. In dit licht heeft de rechtbank benadrukt dat niet primair ter discussie staat of appellante überhaupt wel heeft gewerkt en aldus in enige arbeidsrelatie stond, zoals zij zelf heeft gesteld, maar of aannemelijk is dat de specifiek door haar in het kader van haar uitkering gepresenteerde arbeidsrelatie met [Naam B.V.] aanwezig is geweest. Verifieerbare aanwijzingen dan wel stukken voor de stelling dat zij als werknemer bij [Naam B.V.] arbeid in loondienst zou hebben verricht zijn door haar niet in het geding gebracht.
2.4.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat voldoende vaststaat dat appellante in de periode in geding geen verzekerde arbeid heeft verricht voor [Naam B.V.] . Nu appellante aldus niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringswetten, had zij geen recht op een WW-uitkering en een ZW-uitkering over de periode in geding. Het Uwv heeft dan ook terecht de uitkeringen over de gestelde perioden herzien en teruggevorderd. Tegen de terugvordering heeft appellante geen beroepsgronden geformuleerd. Dringende redenen op grond waarvan het Uwv had kunnen besluiten om geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn volgens de rechtbank gesteld noch gebleken.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante de bevindingen van het onderzoeksrapport betwist en haar standpunt gehandhaafd dat geen sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Volgens appellante heeft zij persoonlijk arbeid verricht binnen een gezagsverhouding waarbij [Naam B.V.] een verplichting had tot het betalen van loon. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar de arbeidsovereenkomst en verschillende loonstroken. Appellante heeft aangevoerd dat zij analfabeet is, sociaal niet vaardig is, moeite heeft met het onthouden en onderscheiden van data en verschillende gezondheidsklachten heeft, waardoor zij tijdens het verhoor met de themaonderzoekers warrig was en tegenstrijdig heeft verklaard. Het Uwv heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden in de besluitvorming.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [Naam B.V.] en appellante om die reden niet verzekerd was voor de sociale verzekeringswetten.
4.2.
Bij besluiten tot herziening en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren (zie de uitspraak van de Raad van 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479). Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellante en [Naam B.V.] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de ZW en de WW heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
4.3.
Geoordeeld wordt dat het door het Uwv verrichte onderzoek naar (het bestaan van) de dienstbetrekking van appellante bij [Naam B.V.] en de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte uitkeringen zorgvuldig en toereikend is geweest. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv met de gegevens uit het onderzoeksrapport van 2 oktober 2018 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [Naam B.V.] en dat om die reden appellante niet verzekerd was voor de sociale verzekeringswetten. De door appellante ingebrachte schriftelijke arbeidsovereenkomst en de loonstroken zijn onvoldoende om aan te nemen dat wel sprake is geweest van een dienstbetrekking.
4.4.
Het standpunt van appellante dat zij tijdens het verhoor op 18 juli 2018 met de themaonderzoekers warrig was en daarom tegenstrijdig heeft verklaard, slaagt evenmin. Uit het verslag van het verhoor is gebleken dat een tolk aanwezig was, dat het de onderzoekers bekend was dat appellante niet kon lezen of schrijven en dat appellante te kennen heeft gegeven dat zij de tolk goed heeft verstaan en begrepen. De tolk heeft na het gesprek het volledige gespreksverslag voorgelezen aan appellante. Uit het verslag is niet gebleken dat appellante niet in staat was om gehoord te worden.
4.5.
De overwegingen in 4.3 en 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en
C.F.E. van Olden-Smit en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2022.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) E.X.R. Yi
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.