ECLI:NL:CRVB:2022:2564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand zelfstandigen bij voorbereidingswerkzaamheden
Appellante en haar partner ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet (PW) sinds augustus 2017. In 2018 meldden zij plannen voor het starten van een onderneming en richtten in december 2018 een B.V. op, met inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het afsluiten van een huurovereenkomst voor een bedrijfspand. Het college trok de bijstand in vanaf 14 december 2018 en vorderde een bedrag terug, omdat zij vanaf die datum als zelfstandigen werden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij in de periode tot april 2019 slechts marginale voorbereidingswerkzaamheden verrichtte en niet voldeed aan het urencriterium, en dat het college rekening had moeten houden met een huurvrije periode. Ook voerde zij aan dat zij de gemeente voldoende had geïnformeerd en dat er dringende redenen waren om terugvordering achterwege te laten.
De Raad oordeelde dat voorbereidingswerkzaamheden ook tot zelfstandige activiteiten behoren en dat het urencriterium op jaarbasis wordt beoordeeld. Er waren voldoende aanwijzingen dat appellante en haar partner het urencriterium ruimschoots overschreden. De enkele melding van voornemens volstond niet om aan de inlichtingenverplichting te voldoen. Dringende redenen voor het achterwege laten van terugvordering waren niet aannemelijk, aangezien de financiële situatie niet het gevolg was van de terugvordering en beschermende regels voor invordering van toepassing zijn.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.