Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en hadden vier kinderen, waarvan twee minderjarig tijdens de relevante periode. Het college had bijstand herzien en teruggevorderd omdat zij inkomsten uit arbeid van de kinderen op de bankrekening van appellant ontvingen en dit niet volledig aan het college hadden gemeld. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De Raad oordeelde dat het loon van minderjarige kinderen niet tot de middelen van het gezin behoort en dus niet in mindering mag worden gebracht op de bijstand, ook niet als het op de bankrekening van appellant werd gestort. Voor de meerderjarige zoon gold dit niet, waardoor de boete wegens niet-melden gerechtvaardigd bleef. De rechtbank had dit onderscheid niet gemaakt en handhaafde onterecht de besluiten.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en bepaalde dat het college opnieuw moet beslissen over de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand, alsmede over de individuele inkomenstoeslag. De boete werd verlaagd tot €755,53, rekening houdend met de draagkracht van appellant. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.