Appellant, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en rolstoelgebonden, vroeg in 2017 een bruikleenauto aan voor het volgen van een opleiding met baangarantie. Het UWV weigerde dit, omdat de opleiding niet onder de relevante wetgeving viel. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en het hoger beroep werd ingesteld.
De Raad beoordeelde ambtshalve of appellant nog voldoende procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Gezien het tijdsverloop, het feit dat appellant de opleiding niet is gestart, en dat hij inmiddels een aangepaste bus tot zijn beschikking heeft, concludeerde de Raad dat het procesbelang is komen te vervallen. Ook is geen schade gesteld door het niet verstrekken van de bruikleenauto.
De Raad oordeelde dat een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit geen belang meer heeft voor een toekomstig verzoek, mede omdat het UWV toekomstige verzoeken op actuele feiten en regelgeving zal beoordelen. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af.
Daarnaast werd vastgesteld dat de procedure ruim vijf jaar duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. De Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,- en tot vergoeding van de proceskosten van appellant ter zake van dit verzoek. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 november 2022.