ECLI:NL:CRVB:2022:2710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens beschikking over in beslag genomen geldbedrag
Appellant en appellante ontvingen bijstand, waarbij het college kosten terugvorderde wegens onverschuldigde betaling gerelateerd aan een in beslag genomen geldbedrag van €109.990,- dat bij appellant werd aangetroffen.
Het gerechtshof had appellant vrijgesproken van witwassen en gelastte teruggave van het geld, maar het OM hield het bedrag vast tot betaling aan de gemeente Arnhem. Het college vorderde terugbetaling van bijstandskosten over de periode 2011-2018, waarbij appellant stelde dat hij niet over het geld kon beschikken omdat het niet van hem zou zijn.
De Raad oordeelde dat appellant wel kon beschikken over het geld, ook al had hij het niet feitelijk in handen, en verwierp de stellingen dat delen van het geld van zijn vader, vriend of neef waren wegens gebrek aan bewijs. De Raad bevestigde dat het college de terugvordering terecht baseerde op artikel 58 PW Pro en dat het conservatoir beslag onder het OM de rechtmatigheid van het besluit niet aantast.
Het hoger beroep van appellant en appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant en appellante wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.