Uitspraak
22.1526 WIA
mr. E. Moerman-Bootsma.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als landenspecialist, meldde zich in 2014 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde in 2016 een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% vast, maar na een herbeoordeling in 2020 werd dit bijgesteld tot 34,16%, waardoor de WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit en bracht medische informatie in van cardiologen en wetenschappelijke publicaties over CVS/ME. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 augustus 2020 de beperkingen van appellante adequaat weerspiegelt.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt dat de medische stukken en publicaties onvoldoende aanknopingspunten bieden om de beoordeling van het UWV te betwijfelen.
De Raad volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de conclusie dat de beperkingen in de FML passend zijn en dat appellante alleen geschikt is voor licht fysiek werk in een rustige omgeving. Er is geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellante komt daarmee niet in aanmerking voor een WIA-uitkering vanaf 4 november 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.