ECLI:NL:CRVB:2022:2842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na eerstejaars Ziektewet-beoordeling
Appellant was ziekgemeld met vermoeidheidsklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsartsen van het UWV niet onpartijdig zijn en dat de rechter onvoldoende medisch inzicht heeft. De Raad overwoog dat twijfel aan onpartijdigheid alleen relevant is indien appellant niet voldoende gelegenheid heeft gehad om de medische bevindingen te betwisten. Appellant had medische stukken van een internist en psychiater overgelegd, die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep waren betrokken.
De Raad constateerde dat appellant in hoger beroep geen nieuwe medische stukken had ingediend en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De aan de EZW-beoordeling ten grondslag gelegde functies zijn medisch passend bevonden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd.