Appellant ontving bijstand sinds januari 2017 en werd onderzocht vanwege vermoedens van niet gemelde werkzaamheden voor een bedrijf. Uit het onderzoek bleek dat appellant in de periode van april tot september 2017 (periode 2) bedrijfsmatige, op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, waaronder inkoop, onderhoud en verkoopactiviteiten. Deze werkzaamheden moesten worden gemeld, ongeacht de intentie of het al dan niet genieten van inkomsten.
Voor de periodes van januari tot maart 2017 (periode 1) en oktober tot november 2017 (periode 3) ontbrak een toereikende feitelijke grondslag voor intrekking van de bijstand. De Raad stelde vast dat appellant in periode 1 waarschijnlijk geen werkzaamheden verrichtte en dat voor periode 3 geen onderzoek was gedaan.
De rechtbank had het beroep tegen het besluit tot intrekking ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak voor de genoemde periodes en herroept het besluit voor die periodes. Het college moet een nieuwe berekening maken van de terugvordering en een nieuw besluit nemen, waarbij beroep alleen bij de Raad mogelijk is.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de kosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.