ECLI:NL:CRVB:2022:497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens productie synthetische drugs
Appellanten ontvingen sinds 2007 bijstand, maar het dagelijks bestuur trok deze bijstand met ingang van 1 april 2016 in vanwege betrokkenheid van appellant bij de productie van synthetische drugs. Dit was gebaseerd op een strafvonnis waarin appellant werd veroordeeld voor het bereiden van MDMA in een drugslaboratorium op een bedrijventerrein. Het dagelijks bestuur stelde dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en dat appellanten de inlichtingenverplichting schonden door dit niet te melden.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht aannam dat appellant activiteiten verrichtte in het kader van de productie en voorbereiding van MDMA, mede op basis van DNA-sporen, telefoongegevens en verklaringen van de eigenaar van het terrein. Het feit dat appellant mogelijk geen inkomsten had genoten, deed niet af aan de waardeerbaarheid van de werkzaamheden. Door het niet melden hiervan kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Verder wees de Raad het beroep tegen de terugvordering van de bijstand af. Appellanten voerden aan dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen had, mede door de schuldenlast en de ontnemingsvordering uit de strafzaak. De Raad vond echter dat dringende redenen ontbraken en dat de invordering beschermd wordt door regels over de beslagvrije voet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens betrokkenheid bij productie van MDMA.