Uitspraak
20 1294 PW, 20/1295 PW, 20/2622 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Voor het opleggen van een boete gelden andere voorwaarden dan voor de intrekking.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd onderzocht naar aanleiding van een anonieme melding dat zij met X, de vader van haar jongste kind, een gezamenlijke huishouding voerde. Uit onderzoek, waaronder waarnemingen en verklaringen van appellante, bleek dat X zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en dat zij een kind samen hadden.
Het college trok de bijstand in en vorderde terug over de periode van 4 februari 2018 tot en met 31 oktober 2018 wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellante voerde aan dat zij onder druk een verklaring had afgelegd en dat er geen sprake was van gezamenlijke huishouding, maar deze bezwaren werden verworpen. De verklaring en waarnemingen boden voldoende grondslag voor het standpunt van het college.
De Raad oordeelde dat DNA-bewijs niet noodzakelijk is om het gezamenlijk kind aan te tonen en dat het hoofdverblijf van X in de woning van appellante was vastgesteld op basis van concrete feiten. De aanvraag van appellante voor bijstand met terugwerkende kracht en voor een individuele inkomenstoeslag werd eveneens afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en wijst de beroepen van appellante af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf en wijst de beroepen van appellante af.