Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:631

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/913 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering terugkomen op afwijzing Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag zonder nieuwe feiten

Appellant diende in 2013 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV in 2014 werd afgewezen wegens een zeer laattijdige aanvraag en gebrek aan medische gegevens over zijn belastbaarheid rond zijn zeventiende en achttiende jaar. Het bezwaar en het beroep tegen deze afwijzing werden ongegrond verklaard, waarna appellant geen hoger beroep instelde.

In 2023 diende appellant een nieuwe aanvraag in, waarbij hij wees op een formele erkenning als slachtoffer van misbruik in de Jeugdzorg en een complexe PTSS. Het UWV weigerde echter terug te komen op het eerdere besluit, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herbeoordeling rechtvaardigden. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de erkenning geen nieuw feit is en dat appellant geen nieuwe medische gegevens over de relevante periode had overgelegd.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de erkenning en zijn structurele ongeschiktheid voor reguliere arbeid wel degelijk nieuwe feiten vormden en dat het bewijsrisico onterecht bij hem werd gelegd. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het UWV terecht het besluit handhaafde. De Raad benadrukte dat het ontbreken van medische informatie over de relevante leeftijdsperiode voor rekening van appellant komt en dat de PTSS niet noodzakelijkerwijs beperkingen in die periode aantoont.

De Raad wees ook het verzoek af om een deskundige te benoemen en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt, waardoor de weigering om terug te komen op het besluit van 2014 in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag zonder nieuwe feiten.

Uitspraak

25/913 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2025, 24/3718 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant moet het Uwv terugkomen van zijn eerdere afwijzende besluit van 19 maart 2014. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.E.J. Dohmen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Voor appellant is mr. Dohmen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1969, heeft met een door het Uwv op 20 augustus 2013 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 19 maart 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen. Het Uwv heeft vastgesteld dat het een zeer laattijdige aanvraag betreft en dat het op grond van de beschikbare informatie niet mogelijk is om een oordeel te geven over de belastbaarheid van appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar (en de periode van vijf jaar daaropvolgend). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 augustus 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg heeft het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2014 bij uitspraak van 3 februari 2015 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.
1.2.
Met een door het Uwv op 16 oktober 2023 ontvangen formulier Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen heeft appellant opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Hierbij heeft appellant erop gewezen dat bij hem sprake is van een complexe PTSS als gevolg van grootschalig vroegkinderlijk trauma. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts op 17 november 2023 gerapporteerd dat appellant bij de huidige aanvraag geen nieuwe medische informatie heeft verstrekt, zodat de belastbaarheid op de leeftijd van zeventien en achttien jaar en in de periode van vijf jaar na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar niet is vast te stellen. Met een besluit van 20 november 2023 heeft het Uwv daarom geweigerd terug te komen van het eerdere afwijzende besluit van 19 maart 2014. Met het besluit van 13 september 2024 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 november 2023 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een verzoek om terug te komen van een eerder afwijzend besluit op een toen al zeer laattijdige aanvraag en dat het Uwv op dit verzoek heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2.
Appellant meent dat zijn formele erkenning als slachtoffer van misbruik in de Jeugdzorg door de commissie-Samson, dat heeft plaatsgevonden bij door de overheid uit huis geplaatste kinderen, een nieuw feit is. Volgens de rechtbank is dit echter geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. De gebeurtenissen die appellant heeft meegemaakt en die ten grondslag liggen aan de erkenning van hem als slachtoffer, waren namelijk ook in 2014 al bekend bij het Uwv. De officiële erkenning als slachtoffer maakt niet dat dit een nieuw feit is op grond waarvan het Uwv een inhoudelijke beoordeling had moeten uitvoeren. Appellant is bovendien gezien op het spreekuur door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens deze arts is destijds terecht geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant rond zijn achttienjarige leeftijd niet is vast te stellen. Ook nu is het niet mogelijk om vast te stellen wat de beperkingen van appellant waren in die periode. Appellant heeft namelijk geen medische of andere gegevens overgelegd die iets zeggen over zijn situatie in die periode. De rechtbank volgt deze toelichting. De stelling van appellant dat hij in bewijsnood verkeert, maakt dit oordeel niet anders. Omdat sprake is van een laattijdige aanvraag ligt de bewijslast en dus ook het bewijsrisico bij appellant. Het Uwv heeft de aanvraag van 16 oktober 2023 dan ook onder verwijzing naar het besluit van 19 maart 2014 kunnen afwijzen. Wat appellant heeft aangevoerd, leidt volgens de rechtbank ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat de formele erkenning als slachtoffer van de misstanden in de Jeugdzorg wel een nieuw feit is. Deze formele erkenning, in samenhang met de omstandigheid dat appellant structureel niet in staat is gebleken reguliere arbeid te verrichten, had voor het Uwv aanleiding moeten zijn opnieuw te kijken naar de medische situatie van appellant rond zijn achttiende jaar. Volgens appellant wordt het bewijsrisico ten onrechte geheel bij hem gelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van het besluit van 19 maart 2014 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 19 maart 2014 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [1]
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
In geschil is of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 19 maart 2014 omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden.
5.4.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.
5.5.
Ten tijde van de eerste Wajong-aanvraag van appellant in 2014 was al sprake van een zeer laattijdige aanvraag. De aanvraag is destijds afgewezen omdat het Uwv niet kon beoordelen of appellant voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajonguitkering. Bij de eerste aanvraag was appellant al 44 jaar oud en was er geen medische informatie beschikbaar over zijn functioneren en belastbaarheid op het zeventiende en achttiende jaar. Dergelijke gegevens zijn nodig om te kunnen beoordelen of appellant als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Dat door tijdsverloop geen informatie beschikbaar is om vast te kunnen stellen of appellant een Wajong-uitkering kan krijgen, komt volgens vaste rechtspraak voor zijn rekening. [2]
5.6.
Ook bij de in 2023 ingediende aanvraag, ontbreekt de noodzakelijke informatie om te kunnen vaststellen of appellant aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering voldoet. Uit de formele erkenning door de commissie-Samson van appellant als slachtoffer van misbruik in de Jeugdzorg, kan niet worden afgeleid of, en zo ja welke, beperkingen appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd ondervond bij het verrichten van arbeid. De stelling van appellant, dat hij in zijn leven nooit in staat is gebleken reguliere arbeid te verrichten, maakt dit niet anders. Door de verzekeringsartsen van het Uwv is navolgbaar onderbouwd dat de mate waarin appellant nu beperkt is door een complexe PTSS niets zegt over de beperkingen in de voor de Wajong relevante periode tussen het achttiende en 23e levensjaar, omdat een PTSS niet altijd aansluitend aan de traumatische gebeurtenissen ontstaat maar dit ook pas na veel langere tijd het geval kan zijn.
5.7.
Het Uwv heeft het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 19 maart 2014 dan ook kunnen afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ‑ evenals de rechtbank ‑ geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.8.
Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals namens appellant ter zitting is verzocht.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 19 maart 2014 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van10 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:581.