ECLI:NL:CRVB:2022:703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wettelijke grondslag voor verrekening onverschuldigde toeslag met WAO-nabetaling
Appellant ontving sinds 1999 een WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na een herbeoordeling werd zijn arbeidsongeschiktheid verhoogd, met een nabetaling van WAO-uitkering tot gevolg. Het UWV vorderde onverschuldigd betaalde toeslag terug en verrekende dit met de nabetaling. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de wettelijke grondslag voor deze verrekening ontbreekt.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV bevoegd was tot verrekening op grond van artikel 14g en 20a van de TW. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat sinds de vierde tranche van de Awb verrekening alleen is toegestaan bij expliciete wettelijke grondslag, die volgens hem ontbrak.
De Raad oordeelt dat in artikel 14g, in samenhang met artikel 20a van de TW, wel degelijk een wettelijke grondslag bestaat voor verrekening van een vordering wegens onverschuldigde toeslag met een WAO-nabetaling. Dit oordeel sluit aan bij eerdere jurisprudentie en de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW 2013. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV bevoegd is de onverschuldigd betaalde toeslag te verrekenen met de nabetaling van WAO-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.