Uitspraak
19 3400 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2009 werkzaam als secretaresse en projectmedewerker/consulent. Na uitval wegens fysieke klachten in 2011 en een WW-uitkering, viel zij in 2015 opnieuw uit met pijnklachten en artrose. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Na bezwaar en beroep werd de arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, die een arbeidsongeschiktheid van circa 27% vaststelden. Het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante geen medische afzakker was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende beperkingen waren aangenomen en dat de maatmaninkomenberekening onjuist was. De Raad oordeelde dat het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS niet leidend is voor individuele beperkingen en dat de medische beoordeling zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. Er was geen bewijs dat appellante om medische redenen minder uren was gaan werken, zodat zij geen medische afzakker was.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht uitging van een gecombineerde maatman van secretaresse en projectmedewerker voor 27,89 uur per week en dat de arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.