Appellante vroeg bijstand aan na het ontvangen van een uitkering op grond van het Bbz 2004. Zij financierde haar woning met een Meerwaardehypotheek waarbij een deel van het ingelegde vermogen werd belegd in het Postbank Obligatiefonds. Maandelijks ontving zij een vast bedrag uit dit fonds, dat het college als inkomen aanmerkte en in mindering bracht op de bijstand.
De Adviescommissie bezwaarschriften adviseerde het college het besluit te handhaven, hoewel zij vond dat de betalingen niet als inkomen uit vermogen konden worden gezien maar als bestemd voor hypotheeklasten. De rechtbank vernietigde het besluit deels en bepaalde dat de bijstand 'om niet' moest worden verstrekt vanaf de datum van melding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ingelegde vermogen niet vrij beschikbaars vermogen was en daarom niet als zodanig kon worden aangemerkt. De maandelijkse betalingen uit het Obligatiefonds zijn periodiek en vrij besteedbaar inkomen dat bedoeld is om de hypotheeklasten te dekken. Dit maakt de betalingen tot inkomen in de zin van de WWB, waardoor het college terecht deze betalingen op de bijstand in mindering bracht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.