Uitspraak
20.4117 PW-PV
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen vanaf augustus 2011 bijstand. Na het overlijden van de vader van appellant in 2018 ontving appellant in maart 2019 een erfenis van € 20.665,04. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht vorderde daarop bijstand terug tot een bedrag van € 3.447,14, na bezwaar verlaagd van € 3.968,91. Het college hanteerde daarbij een vermogensgrens van € 12.040,- in plaats van de gebruikelijke € 12.240,-.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond en oordeelde dat het verbod van reformatio in peius niet was geschonden. Appellanten kwamen door het maken van bezwaar financieel beter uit omdat notariskosten en zorgtoeslagkosten in bezwaar in mindering werden gebracht, ondanks de lagere vermogensgrens.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat artikel 58 van Pro de Participatiewet terugvordering mogelijk maakt zodra middelen beschikbaar komen waarover de betrokkene aanvankelijk niet kon beschikken.
De Raad bevestigde dat een volledige heroverweging op bezwaar plaatsvindt en dat een wijziging van de grondslag in bezwaar niet per definitie een verboden benadeling inhoudt, zolang het resultaat niet nadelig is. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand blijft gehandhaafd.