ECLI:NL:CRVB:2022:92
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij Wmo 2015 zaak
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor uitbreiding van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Leiden handhaafde het besluit de aanvraag af te wijzen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De gemachtigde, broer en zorgverlener van betrokkene, zette het hoger beroep voort nadat betrokkene was overleden. Uit een verklaring van erfrecht bleek dat de zoon de enige erfgenaam was. De Raad oordeelde dat de gemachtigde als vertegenwoordiger van de erfgenaam het hoger beroep voortzette.
De Raad overwoog dat procesbelang vereist is om ontvankelijk te zijn in hoger beroep, waarbij een louter formeel of principieel belang onvoldoende is. Omdat de gemachtigde een verklaring had ingediend waarin stond dat de erfgenaam niet belast zou worden met kosten en dat hij zelf alle risico’s zou dragen, had de erfgenaam feitelijk geen belang bij het hoger beroep.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.