ECLI:NL:CRVB:2024:162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij aanspraak Minimaregeling
Betrokkene diende op 12 november 2017 een aanvraag in voor de Minimaregeling 2017 bij het college van burgemeester en wethouders van Leiden. Het college kende op 1 december 2017 gebruik toe van de regeling onder de voorwaarde dat betrokkene zijn kosten zou declareren. Betrokkene maakte bezwaar omdat hij vond dat het bedrag van €210,- direct toegekend had moeten worden. Het college wees het bezwaar af omdat niet duidelijk was welke kosten waren gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Tijdens de beroepsprocedure overleed betrokkene op 28 juli 2019. Zijn broer, gemachtigd door betrokkene, stelde namens hem hoger beroep in. Appellant, de erfgenaam, verscheen niet op de zitting.
De Raad stelde ambtshalve vast dat appellant geen procesbelang had omdat betrokkene vlak voor zijn overlijden zijn aanspraken op het college aan zijn broer had overgedragen. Deze overdracht en afspraken werden bevestigd in eerdere uitspraken en een brief van 2 juli 2019. Appellant kon daardoor geen baten of lasten meer verkrijgen uit deze procedure.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hierdoor kwam de Raad niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.