ECLI:NL:CRVB:2023:1
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget wegens ongeschiktheid gewaarborgde hulp
Appellant, met het syndroom van Down en ernstig beperkt, had voor meerdere jaren een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen. In 2018 droeg hij [naam gewaarborgde hulp 1] voor als gewaarborgde hulp. Het zorgkantoor besloot echter per 1 januari 2019 het pgb niet te verlenen, omdat het twijfels had over de geschiktheid van deze gewaarborgde hulp.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het zorgkantoor ten onrechte het pgb had geweigerd en dat [naam gewaarborgde hulp 1] wel degelijk geschikt was, mede gezien haar lange geschiedenis van verantwoorde besteding van pgb's en het ontbreken van bezwaar van het college van burgemeester en wethouders.
De Raad oordeelde dat het besluit van het zorgkantoor een weigering van verlening per 1 januari 2019 betrof en geen beëindiging van een reeds verleend pgb. Verder stelde de Raad vast dat het zorgkantoor terecht twijfelde aan de geschiktheid van [naam gewaarborgde hulp 1], mede op basis van een rapport van een medisch adviseur en eerdere incidenten waarbij zorgverleners zich onveilig voelden. Ook eerdere gewaarborgde hulpen hadden hun taken neergelegd vanwege conflicten met [naam gewaarborgde hulp 1].
De Raad vond geen aanleiding om hiervan af te wijken en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het zorgkantoor om appellant per 1 januari 2019 een pgb te verlenen vanwege onvoldoende waarborg van de voorgedragen gewaarborgde hulp.