ECLI:NL:CRVB:2023:1125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar werd door de Centrale Raad van Beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellante stelde in verzet dat zij niet in verzuim was, onder meer omdat zij het griffierecht onrechtmatig vond op grond van artikel 6 EVRM Pro en omdat haar financiële gegevens zouden zijn vervalst en verduisterd.
De Raad heeft deze argumenten reeds in eerdere uitspraken afgewezen en oordeelt dat de bestuursrechtelijke regeling omtrent griffierechten zodanig is dat de toegang tot de rechter niet wordt belemmerd. Appellante heeft geen bewijs geleverd van haar vermeende lagere inkomen en heeft geen verzoek om vrijstelling van griffierecht gedaan.
De Raad concludeert dat appellante geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een niet-verzuim rechtvaardigen. Zij is gewezen op de mogelijkheid van een beroep op betalingsonmacht, maar heeft dit niet benut. Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep wordt ongegrond verklaard.