ECLI:NL:CRVB:2023:1199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag gehandicaptenparkeerplaats wegens beschikking over parkeerplaats op eigen terrein
Appellant vroeg een gehandicaptenparkeerplaats aan bij zijn woning, welke aanvankelijk werd toegekend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Na bezwaar van appellant en betrokkenen herzag het college dit besluit en wees de aanvraag af omdat appellant over een parkeerplaats op eigen terrein (POET) beschikt, namelijk in zijn tuin, zoals verplicht gesteld in het koopcontract van de woning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de aanvraag terecht had afgewezen op grond van artikel 1.3 van de Beleidsregels gehandicaptenparkeren. De rechtbank vond dat appellant onvoldoende objectief bewijs had geleverd dat de parkeerplaats te krap was of dat hij niet in staat was de poort te openen of sneeuwvrij te maken. Ook was er geen sprake van discriminatie of onrechtmatige inbreuk op het privéleven, aangezien de verplichting tot het onderhouden van een parkeerplaats op eigen terrein geldt voor alle omwonenden.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze overwegingen. De Raad benadrukt dat het college geen verplichting oplegt om de auto in de tuin te parkeren; appellant kan zijn auto ook in de straat achter zijn woning parkeren. De regel dat een gehandicaptenparkeerplaats niet wordt toegekend als er een POET is, geldt voor iedereen gelijk. Er is geen sprake van ongelijke behandeling of bijzondere hardheid.
Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats omdat appellant beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein.