Betrokkene was sinds december 2018 werkzaam bij een bakkerijbedrijf, vanaf 19 juli 2019 op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst als banketbakker voor 38 uur per week. De werkgever werd op 22 oktober 2019 failliet verklaard, waarna betrokkene ontslag kreeg. Betrokkene vroeg bij het UWV een uitkering aan wegens betalingsonmacht van de werkgever. Het UWV kende aanvankelijk een voorschot toe, maar stelde later de uitkering definitief vast alleen voor de werkzaamheden als adviseur, omdat het loon voor de banketbakkersfunctie niet was betaald en volgens het UWV geen arbeidsovereenkomst bestond voor die functie. Betrokkene maakte bezwaar, dat werd afgewezen omdat het UWV aannam dat betrokkene bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst al had kunnen voorzien dat loon niet betaald zou worden.
In hoger beroep betwistte betrokkene deze voorzienbaarheid. De Centrale Raad volgde het UWV niet en oordeelde dat betrokkene niet kon voorzien dat de werkgever het loon niet zou kunnen betalen, omdat liquiditeitsproblemen pas in september 2019 ontstonden en de faillissementsverklaring pas in oktober 2019 volgde. De rechtbank had ten onrechte aangenomen dat betrokkene vanwege zijn relatie met de eigenaresse en zijn kennis van de financiële situatie op de hoogte was van de betalingsonmacht.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak voor zover deze het bestreden besluit in stand hield en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen waarbij de uitkering voor de werkzaamheden als banketbakker alsnog kan worden toegekend. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen hoger beroep bij de Raad mogelijk is. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.