ECLI:NL:CRVB:2023:1391

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juli 2023
Publicatiedatum
18 juli 2023
Zaaknummer
21 / 2712 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, PWArt. 6:22 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering bijstand na erfenis zonder onderzoek schuldenpositie

Appellante ontving bijstand vanaf 2013 en kreeg na het overlijden van haar moeder een erfenis van €20.007,-. Het college vorderde de bijstandskosten terug over de periode van 13 maart 2018 tot 14 november 2018, omdat het erfdeel de vrijlatingsgrens overschreed. Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde dat het college geen zorgvuldig vermogensonderzoek had gedaan, omdat het niet had onderzocht of zij schulden had op de peildatum.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat het college inderdaad tekort was geschoten in haar onderzoek door de schuldenpositie niet te betrekken. Dit vormde een zorgvuldigheidsgebrek. Echter, omdat ter zitting was komen vast te staan dat appellante op de peildatum geen schulden had, werd dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de terugvordering bleef in stand. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een volledig vermogensonderzoek, maar ook dat een besluit kan worden gehandhaafd als het gebrek niet tot nadeel heeft geleid.

Uitkomst: De terugvordering van bijstand blijft in stand ondanks het zorgvuldigheidsgebrek, omdat appellante geen schulden had op de peildatum.

Uitspraak

21/2712 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2021, 20/5656 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)
Datum uitspraak: 18 juli 2023
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 11 mei 2020 heeft het dagelijks bestuur een bedrag van € 5.729,21 aan kosten van bijstand teruggevorderd van appellante. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het dagelijks bestuur is met een besluit van 18 september 2020 (bestreden besluit) bij de terugvordering gebleven.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. C.J. van der Have, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 juni 2023. Voor appellante is mr. Van der Have verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. de Jonge.
OVERWEGINGEN

Samenvatting

Appellante heeft uit de nalatenschap van haar overleden moeder een bedrag van € 20.007,- ontvangen. Om deze reden vordert het dagelijks bestuur bijstand van appellante terug. Als beroepsgrond heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek door het dagelijks bestuur niet zorgvuldig was, omdat het dagelijks bestuur niet heeft onderzocht of zij schulden had. De Raad geeft appellante hierin gelijk. Maar omdat ook in hoger beroep niet is gebleken dat appellante schulden had, blijft de besluitvorming in stand.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt vanaf 12 maart 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van een zogenoemd ‘samenloopsignaal’ van de Belastingdienst onderzoek verricht. Het dagelijks bestuur heeft bankafschriften opgevraagd bij appellante en met appellante gesproken. Hierdoor werd duidelijk dat de moeder van appellante op 13 maart 2018 is overleden en dat appellante een erfenis heeft ontvangen. Op de bankrekening van appellante is op 14 november 2018 een bedrag van € 20.007,- bijgeschreven met als omschrijving ‘erfdeel’.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college reden geweest om met het besluit van 11 mei 2020 de kosten van bijstand over de periode van 13 maart 2018 tot en met 14 november 2018 met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 20.007,-. Na bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd met het bestreden besluit. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het door appellante op 14 november 2018 ontvangen bedrag van € 20.007,-, teruggerekend naar 13 maart 2018, het tijdstip waarop de aanspraak op dat bedrag is ontstaan, de toen voor appellante geldende vrijlatingsgrens van € 6.020,- overschreed.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het college geen zorgvuldig vermogensonderzoek heeft gedaan, omdat het college niet heeft onderzocht of appellante schulden had. Deze beroepsgrond slaagt.
4.2.
Het college heeft het onderzoek beperkt tot een onderzoek naar de erfenis. Het college heeft geen onderzoek gedaan naar de schuldenpositie van appellante. Het college had ook moeten onderzoeken of appellante schulden had op 13 maart 2018, de peildatum. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1]
4.3.
De Raad ziet aanleiding dit zorgvuldigheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Ter zitting is namelijk komen vast te staan dat appellante op de peildatum geen schulden had.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van gronden, bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.
5. De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb vormt aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.674,- in beroep en € 1.674,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.348,-. Het college moet ook het door appellante betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.348,-;
  • bepaalt dat het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs als voorzitter en W.F. Claessens en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2023.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) M. Ramanand

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.
Artikel 6:22 van Pro de Awb
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2780.