Appellant ontving een Ziektewetuitkering na ziekmelding in september 2019 en beëindiging van zijn dienstverband. Het UWV beëindigde de uitkering per 12 januari 2021 op grond van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek waaruit bleek dat appellant meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kon verdienen in passende functies.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar het UWV handhaafde het. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat er geen medische reden was voor volledige arbeidsongeschiktheid en dat de beperkingen in de FML adequaat waren verwerkt.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen werden onderschat, onderbouwd met diverse medische rapporten en een loonwaarderapport. De Raad stelde vast dat de aangevoerde gronden geen aanleiding gaven het oordeel van het UWV te wijzigen. De medische beoordeling was zorgvuldig en hield rekening met alle relevante informatie, terwijl het loonwaarderapport en medicatiepaspoort geen betrekking hadden op de datum van de beslissing.
De Raad bevestigde dat de toetsing van de medische geschiktheid voortaan leidend is bij het beoordelen van beroepsgronden. Omdat appellant geen beroepsgronden tegen de arbeidskundige aspecten aanvoerde, bleef het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.