Appellanten hadden bijstand aangevraagd die aanvankelijk werd afgewezen vanwege onvoldoende informatie over contante stortingen op de bankrekening van appellant. Na bezwaar kende het college bijstand toe, maar bracht de contante stortingen van €70, €625 en €200 in mindering op de bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de bedragen leningen waren van familieleden en dat het bedrag van €625 afkomstig was van kinderbijslag die contant was opgenomen. De Raad overwoog dat contante stortingen in beginsel als inkomen worden aangemerkt tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het om leningen gaat met duidelijke afspraken over terugbetaling en dat deze leningen zijn bedoeld voor levensonderhoud.
De door appellanten overgelegde verklaringen van leningen waren geantedateerd en ontbraken aan details over verstrekking en terugbetaling, waardoor de betrouwbaarheid werd betwijfeld. Ook was het verband tussen de contante opname van kinderbijslag en de storting onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat artikel 19, tweede lid, van de Participatiewet dwingend is en niet aan dit beginsel kan worden getoetst.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.