Appellante vroeg bijzondere bijstand voor woonkosten over 2020 aan, welke door het college werd afgewezen omdat de hoge woonlasten niet langer uit bijzondere omstandigheden voortvloeiden. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens vermeend misbruik van recht, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin appellante ook woonkostentoeslag werd geweigerd vanwege onvoldoende inspanningen om goedkopere woonruimte te vinden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad stelt dat er bij het instellen van het beroep sprake was van een reëel geschilpunt en een redelijk doel, mede omdat de uitspraak van 6 november 2020 nog niet bekend was bij appellante. Misbruik van recht is niet aannemelijk.
De Raad beoordeelt vervolgens inhoudelijk het beroep en bevestigt dat de afwijzing van de bijzondere bijstand terecht is. De woonkostentoeslag is bedoeld voor een tijdelijke overgangsfase na inkomensterugval, en appellante heeft onvoldoende inspanningen verricht om haar woonlasten te verlagen. Ook wordt het beroep op schending van het eigendomsrecht en verboden onderscheid verworpen.
De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijzondere bijstand blijft in stand. Het griffierecht wordt aan appellante vergoed omdat de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk verklaarde.