Appellante, een alleenstaande bijstandsgerechtigde wonend in een koopwoning, ontving aanvankelijk woonkostentoeslag als bijzondere bijstand met een verhuisverplichting. Na meerdere aanvragen in 2016-2018 wees het college deze af omdat de woonlasten niet langer uit bijzondere omstandigheden voortvloeiden en appellante onvoldoende had meegewerkt aan het zoeken van goedkopere woonruimte.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken. De Raad oordeelde dat woonkostentoeslag slechts bedoeld is voor een tijdelijke overgangsfase na een inkomensterugval en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar woonlasten nog bijzondere noodzakelijke kosten vormden.
Ook werd het verzoek om dwangsom afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was vanwege de instellingsprocedure van een adviescommissie en de geldende beslistermijn van twaalf weken. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de totale procedure niet langer dan vier jaar duurde.
De Raad concludeerde dat de besluiten voldoende waren gemotiveerd en dat geen grond bestond voor vergoeding van schade of proceskosten. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en de verzoeken afgewezen.