Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2013 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA en is aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt geacht. Na een herbeoordeling door het UWV is haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,30%, met een onveranderde resterende verdiencapaciteit. Appellante betwist deze vaststelling en voert aan dat haar beperkingen groter zijn en de geselecteerde functies te zwaar zijn.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende is en dat de beperkingen niet onderschat zijn. De Raad onderschrijft dit oordeel, wijst erop dat de ziekte van appellante stabiel is en dat eerdere hogere beperkingen niet automatisch gelden bij een nieuwe beoordeling.
Verder oordeelt de Raad dat de geselecteerde functies passend zijn en dat de gevreesde gevolgen bij werkhervatting onvoldoende onderbouwd zijn. Ten slotte wordt bevestigd dat het UWV terecht de kosten in bezwaar niet vergoedt, omdat de inkomenseis niet wijzigt ondanks de aangepaste arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de arbeidsongeschiktheid op 53,30% heeft vastgesteld en wijst het hoger beroep af.