Appellanten ontvingen bijstand sinds 2004 en verdienden daarnaast inkomsten met een eigen bedrijf in oud ijzer. Vanaf januari 2010 was het college op de hoogte van deze inkomsten, maar appellanten hebben niet alle inkomsten gemeld. Na een politieonderzoek en aanvullend gemeentelijk onderzoek is vastgesteld dat appellanten meer inkomsten ontvingen dan opgegeven, wat leidde tot herziening van de bijstand en terugvordering van €30.162,37.
Daarnaast legde het college een boete op wegens het schenden van de inlichtingenplicht. Appellanten stelden dat de boete onterecht was en dat het college niet direct gegevens had mogen vorderen bij derden. De Raad oordeelde echter dat het college terecht gegevens had opgevraagd en dat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden.
De Raad stelde vast dat het college bij het bepalen van de boete onjuist was uitgegaan van het maximumboetebedrag van 2019, terwijl bij een voortdurende overtreding het bedrag van het begin van de overtredingsperiode (2013) moet worden gehanteerd. De boete werd daarom vastgesteld op €5.200. De herziening en terugvordering van bijstand werden bevestigd. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.