ECLI:NL:CRVB:2023:1771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WGA-uitkering wegens onvoldoende medewerking re-integratieverplichtingen
Appellant ontving sinds 12 november 2018 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, met een loongerelateerde periode tot 11 november 2020. Werkgever en eigenrisicodrager [A] droeg het risico voor betaling van deze uitkering en voerde periodiek contact met appellant om re-integratiemogelijkheden te bespreken. Ondanks meerdere verzoeken, onder meer via een WGA-expert en aangetekende brieven, werkte appellant onvoldoende mee aan zijn re-integratieverplichtingen.
Op 21 april 2020 legde [A] een maatregel op in de vorm van een korting van 25% op de WGA-uitkering voor vier maanden, ingaande 1 mei 2020. Appellant maakte bezwaar, dat formeel gegrond werd verklaard, maar de maatregel bleef gehandhaafd. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende medewerking had verleend en dat de machtigingen voor monitoring rechtsgeldig waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad wees op de wettelijke verplichtingen van de verzekerde tot medewerking aan re-integratie en de bevoegdheid van de eigenrisicodrager om maatregelen te treffen bij niet-naleving. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 25% op de WGA-uitkering wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.