Appellant ontving bijstand vanaf mei 2014 en meldde bij de aanvraag slechts twee bankrekeningen, terwijl hij drie rekeningen bij de SNS-bank had. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug omdat appellant de rekeningen niet had gemeld. Appellant stelde dat de rekeningen slapend waren en geen invloed hadden op het recht op bijstand.
De Raad beoordeelde het hoger beroep en concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de rekeningen. Echter, over de periode 2015-2018 was voldoende aannemelijk dat de betaalrekening geen middelen bevatte die het recht op bijstand beïnvloedden. Over de periodes 2014 en 2019 ontbraken jaaroverzichten, waardoor het recht niet kon worden vastgesteld.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor het deel over 2015-2018 en herroept de besluiten tot intrekking en terugvordering voor deze periode. De terugvordering wordt vastgesteld op €6.656,75 voor 2014 en €3.328,45 voor 2019. De boete is verlaagd tot €927,37 en blijft in stand. Verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente wordt afgewezen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.