ECLI:NL:CRVB:2023:1929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening beschermd wonen wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Amsterdam werd het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep is deze uitspraak bevestigd.
De kern van het geschil betreft de vraag of appellant, die niet rechtmatig in Nederland verblijft, aanspraak kan maken op beschermd wonen op grond van de Wmo 2015. Het college en de Raad oordelen dat appellant niet tot de kring van rechthebbenden behoort, omdat hij geen vreemdeling is als bedoeld in de Wmo 2015 en ook niet als Nederlander is gelijkgesteld.
Appellant voerde aan dat opvang in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) niet adequaat is vanwege zijn psychiatrische aandoeningen en dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Westerwaldkreis) hem recht zou geven op verblijf. De Raad wijst dit af en benadrukt dat opvangvoorzieningen voor niet-rechthebbende vreemdelingen onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vallen. Medisch noodzakelijke zorg kan via de VBL en huisarts worden verkregen, en eventuele doorverwijzing is mogelijk.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De Raad ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Uitkomst: De aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt afgewezen omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft.